Werkvorm Staartvertelling

Doelgroep: kleuteronderwijs

Met de werkvorm Staartvertelling kan je systeemdenken en ga je oorzaken en gevolgen onderzoeken.

DOEL
Kinderen begrijpen complexiteit door zicht te krijgen op oorzaken en gevolgen:
– inzien dat, als er iets verandert in een keten van gebeurtenissen, dit invloed heeft op de rest van de gebeurtenissen.
– zich inbeelden wat de mogelijke gevolgen zijn als een gebeurtenis wegvalt of wordt gewisseld.

VOOR JE BEGINT
Kies een verhaal waarin oorzakelijke verbanden kunnen worden gelegd. Signaalwoorden die zo`n verband kunnen aanduiden zijn: daardoor, hierdoor, doordat, zodat, waardoor.
Bijv. Ik gooi een plastic zakje in de natuur. Daardoor komt het op de grond terecht, zodat het aan de schoen van de bakkersjongen blijft plakken.
Splits dit verhaal in verschillende onderdelen, zoek bijhorende prenten, print en nummer ze. Bijv. koekje eten, weggooien papiertje, papiertje blijft plakken aan schoen, bakkersjongen komt met papiertje aan schoen de bakkerij binnen.
Teken op een grote flap een pijl van links naar rechts met evenveel vakjes als er onderverdelingen zijn in je verhaal. Voorzie voor elk onderdeel van de situatie een prent om het onderdeel voor te stellen.
Nummer de prenten zoals op de pijl.
Bijv.

MATERIAAL
– flap met een pijl
– prenten van de verschillende onderdelen van het verhaal, op de achterkant genummerd zoals op de pijl

STAP 1
Vertel het verhaal. Gebruik de prenten om het verhaal te ondersteunen.
De kinderen vertellen het verhaal na, aan de hand van de prenten. Ze leggen de prent telkens neer op de pijl.
Draai de tekeningen om ter controle: liggen ze in de juiste volgorde?

STAP 2
De kinderen sluiten hun ogen.
Neem nu één van de prenten weg.
De kinderen openen de ogen. Reconstrueer samen het verhaal.
Bespreek:
– Is er een prent verdwenen? Welke?
– Klopt het verhaal nu nog? Waarom wel/niet?
Stimuleer de kinderen te denken in termen van ‘oorzaken’ en ‘gevolgen’ door:
 in je eigen taal woorden te gebruiken die de oorzakelijke verbanden in de verf zetten, zoals
Als …, dan …., hierdoor, daardoor, zodat …
 ‘Hoe komt het dat …-vragen’ te stellen. Bijv. Hoe komt het dat er een papiertje plakt aan de schoen van de bakkerszoon?
 te vragen ‘Wat gebeurt er als …?’

STAP 3
Herhaal stap 2.
Varieer desgewenst: prent wegnemen, 2 prenten omwisselen, prent bij leggen.

Bekijk ook:

Wat is systeemdenken?

Wie we zijn en wat we doen